Pim en de muis op de Tafelberghei

‘Pim, ga snel mee!’ riep de muis naar zijn vriend.

Pim, de zwerfkat, was na veel omzwervingen in Singer Laren komen wonen en daar ontmoette hij de kleine muis. Al snel werden ze de beste vrienden.

‘Pim,’ riep de muis weer, ‘we moeten naar de hei! Ik hoorde dat die in bloei staat!’

‘O,’ zei Pim verbaasd, ‘ik heb nog nooit een bloeiende hei gezien, is dat mooi, Muis?’

‘Ja,’ zei de muis, ‘je weet niet wat je ziet!’

Snel slopen Pim en zijn vriend het museum uit, renden door de straatjes en zandpaden van Laren tot ze bij de hei waren. Pim keek rond en kon niet geloven wat hij zag! Alles was paars! Hij wreef eens in zijn ogen, dit kon niet waar zijn...maar toen hij weer keek was alles nog steeds paars.

‘Mooie hè?’ zei de muis trots, alsof hij alles zelf paars had geverfd.

De muis trok Pim mee de hei op. Het leek alsof ze waadden in een zachtgolvende paarse zee.

Maar dan hoorden ze ineens een zacht klagend geblaat. Wat zou dat zijn?

‘Dat is vast een schaapje,’ zei de muis, ‘er is hier een schaapskooi in de buurt en daar woont een kudde schapen.’

‘Beeeh, beeeh!’ hoorden ze weer klagen.

‘We moeten het schaapje helpen, ze is vast in nood,’ zei Pim.

Ze liepen in de richting van het geblaat en dan zagen ze het schaap! Het arme dier zat met haar wol vast in takken en struiken en kon geen kant op.

Pim en de muis plukten en trokken aan de takken om haar vrij te krijgen. Het was een heel gedoe, maar het lukte! Het schaap was los! Ze schudde de laatste takjes uit haar wol en begon weer te blaten: ‘Ik wil naar huis, naar mijn kudde....maar ik ben verdwaald....en ik voel me zo alleen...wat moet ik doen...’

‘Wees maar niet bang,’ zei Pim, ‘wij brengen je wel weer thuis.’

‘Ja,’ zei de muis, ‘we brengen je naar de schaapskooi, daar wonen alle schapen van de hei.’

‘De schaapskooi,’ snikte het schaap, ‘mijn fijne schaapkooi, zal ik het ooit weer terugvinden...?’

Pim keek om zich heen, maar nergens zag hij een kooi met schapen.

‘Ik weet wat!’ riep de muis, ‘kijk, daar is een berg, als we daarop staan kunnen we heel ver zien en dan zien we vast de schaapskooi!’

Pim en de muis waren in een wip boven op de berg, maar het schaap vond de trap eng en klom voorzichtig voetje voor voetje naar boven, ‘Zien jullie al iets?’ vroeg ze hijgend.

Maar Pim zag zelfs op zijn tenen geen kooi met schapen.

‘Ik weet wat,’ zei hij toen het schaap eindelijk boven was, ‘we maken een uitkijktoren, dan kunnen we nog verder kijken!’

Pim pakte de muis en klom op het schaap, toen zette hij de muis op zijn hoofd en zei:

‘Muis, kijk jij naar links, Schaap, jij naar rechts en dan kijk ik recht vooruit. Zo vinden we je huis vast!’

‘Daar is het!’ riep het schaapje blij, ‘En ik zie ook al andere schaapjes! Hoera!’

‘O, is dat de schaapskooi?’ vroeg Pim verbaasd, ‘die zag ik ook wel, maar ik dacht dat het een gewoon huisje was. Ik zocht een grote kooi, vol schapen.’

Het schaap was haar moeheid helemaal vergeten en met Pim en de muis op haar rug rende ze in een drafje naar de schaapskooi. Daar werd ze begroet door de kudde, die al heel ongerust was geworden. En met veel geblaat over en weer werd het schaapje weer in de kudde opgenomen. Tevreden liepen Pim en de muis de hei weer op, waar het intussen nog mooier was geworden. Door de ondergaande zon kreeg de hei een oranjeroze gloed en leek wel op te lichten.

‘Wij moeten ook snel naar huis,’ zei de muis, ‘voordat ze de deur op slot doen!’

Ze renden over de zandpaden en door de straatjes, snel, snel, snel...en net op tijd glipten de vrienden door de grote deur naar binnen, weer thuis in hun vertrouwde Singer.

Pim en de muis op de Tafelberghei