Breien met stippeltjes
Het is zomer. Mieke ligt loom op haar rug in het gras in de schaduw van een oude perenboom.
‘Mieke!’ Aan de stem van haar moeder hoort ze al dat het afgelopen is met haar heerlijke geluier.
‘Vooruit, pak je breinaalden in plaats van te liggen niksen.’
Mieke zucht. Ze haat breien. Zeker in deze hitte. Maar ja, het moet. Haar ouders zijn arme boeren met een paar koeien en schapen en een klein akkertje. Om wat bij te verdienen, spint moeder garen van de schapenwol en breit ze er sokken, truien en mutsen van. En Mieke moet helpen.
Ze sloft het boerderijtje binnen, pakt haar breiwerk en ploft even later weer neer onder de perenboom. Insteken, omslaan, overhalen, af laten glijden. Insteken, omslaan, overhalen, af laten glijden… De stugge, warme wol prikt tegen haar huid.
Na een tijdje bekijkt ze haar werk. Het ziet er niet erg netjes uit. En daar, o nee, een gat! Ze heeft een paar steken laten vallen.
Ze gooit het breiwerk aan de kant. Ze vertikt het om moeder om hulp te vragen. Die wordt vast boos omdat ze zo slordig is. Ze besluit naar haar vriendin Geertje te gaan. Die breit veel beter dan zij. Misschien wil Geertje het gat wegwerken.
Geertje is niet thuis. Maar Mieke gaat niet recht naar huis. Ze heeft zin om nog wat te wandelen. Ze huppelt door het Rozenlaantje richting Naarderstraat en slaat linksaf. Al heen en weer springend over de trambaan komt ze voorbij het landhuis van meneer Nibbering, de kunstschilder. Tegen het hek staat zijn fiets. Ze ziet meneer Nibbering wel eens door het dorp rijden. Ze zou zelf ook heel graag eens proberen te fietsen. Zou het moeilijk zijn?
Langzaam loopt ze naar de fiets toe en kijkt om zich heen. Er is niemand op straat. Rond het huis is ook alles stil.
Ze legt haar breiwerk op de grond. Ze pakt het fietsstuur vast en zet haar rechtervoet op de trapper. Met de andere voet zet ze zich af. Maar zodra ze haar linkervoet ook op de trapper wil zetten, verliest ze haar evenwicht. Ze valt op de trambaan, met de fiets bovenop haar. En in de verte nadert de tram uit Amsterdam!
Mieke gilt van schrik en pijn. Plots komt meneer Nibbering aanrennen. Hij trekt de fiets van haar af en plukt haar van de tramrails. Hij draagt haar zijn atelier binnen, waar hij haar neerzet op een stoel. Er zit bloed op haar arm. Ze trilt van top tot teen.
‘H… het spijt me zo,’ snikt ze. ‘I… is uw fiets kapot?’
Meneer Nibbering strijkt over zijn puntbaardje. ‘Die fiets is niet belangrijk,’ zegt hij vriendelijk. ‘Jouw arm wel. Wacht, ik ben zo terug.’
Mieke kijkt rond in het atelier. Ze ziet veel schilderijen. Van akkers, velden en heide. Maar ook van boerderijen en mensen uit Laren. Ze herkent meneer Koster achter zijn weefstoel. En Mie Rigter, die in een hut aan het Mauvezand woont. De man van Mie is een arm kwijt, doordat de tram eroverheen is gereden. Stel je voor dat meneer Nibbering haar niet had gered. Dan had met haar zomaar hetzelfde kunnen gebeuren! Ze rilt bij de gedachte.
Ze bestudeert het schilderij dat op de ezel staat. Er staan gele en oranje velden op. De lucht is blauw met wolkjes.
‘Wat vind je ervan?’ vraagt meneer Nibbering, die binnenkomt met een kom water en een doek.
Mieke durft niet goed te zeggen dat ze het een beetje vreemd vindt. Het lijkt alsof meneer Nibbering niet echt geschilderd heeft, maar alleen stippeltjes op het doek heeft gezet.
‘Het zijn wel veel stippeltjes, meneer Nibbering,’ zegt ze ten slotte.
Hij schiet in de lach. ‘Nibbrig,’ zegt hij. ‘Ik heet Ferdinand Hart Nibbrig. Dat is ook wel een beetje moeilijk, hè. Hoe heet jij?’
‘Mieke,’ fluistert Mieke.
‘Goed, Mieke, veel stippeltjes dus. Weet je waarom ik dat doe?’
Ze schudt haar hoofd.
‘Als je op een zomerdag zoals vandaag uitkijkt over de meenten, doet het zonlicht bijna pijn aan je ogen. Zo fel is het. Dat felle zonlicht wil ik schilderen. En dat gaat het beste met heel kleine stippeltjes in heldere kleuren.’
Mieke houdt haar hoofd scheef. ‘Ja, ik zie het!’ roept ze.
Meneer Nibbrig dept haar arm met de natte doek. ‘Zo, jongedame,’ zegt hij, ‘je hebt een flinke schram, maar verder valt het wel mee.’
‘Bent u niet boos?’ vraagt Mieke. ‘Om uw fiets?’
‘Welnee,’ zegt meneer Nibbrig. ‘Je hebt je lesje wel geleerd.’
Ineens schrikt Mieke op. ‘Mijn breiwerk ligt nog langs de weg!’
Meneer Nibbrig loopt naar buiten. Een paar minuten later komt hij terug met het breiwerk. Hij blijft er even naar kijken. Dan vraagt hij: ‘Ik zou je graag willen schilderen. Met je breiwerk. Ik betaal je tien cent per uur om model te zitten. Wat zeg je ervan?’
Mieke zet grote ogen op. Tien cent per uur? Alleen maar om stil te zitten?
‘Kom, ik breng je thuis, dan kunnen we het meteen aan je ouders vragen. En weet je wat? We zeggen gewoon dat je gevallen bent. Van die fiets hoeven ze niks te weten,’ zegt hij met een knipoog.
Een paar weken later is het schilderij af. En Miekes breiwerk ook. Ze vond het veel minder vervelend om te breien terwijl meneer Nibbrig haar schilderde, want intussen kon ze gezellig met hem kletsen. Hij is echt heel aardig. Daarom heeft ze nu een verrassing voor hem.
‘Alstublieft,’ zegt ze, en ze geeft hem een pakje.
Hij haalt het papier eraf. ‘Een sjaal!’ roept hij verrast. ‘Heb je die zelf gebreid?’
Mieke knikt. ‘Ik heb een heleboel gekleurde draden verzameld. En ik heb steeds om en om één steek recht en één steek averecht gebreid. Dan krijg je een soort stippeltjes, ziet u? Allemaal gekleurde stippeltjes.’
‘Wat prachtig zomers,’ zegt meneer Nibbrig vol bewondering.
‘Net als uw schilderijen,’ lacht Mieke. ‘U schildert met stippeltjes en ik… ik brei met stippeltjes!’
