Een tuin voor meneer Blijdenstein
Op een dag rinkelde bij Hendrik Copijn de telefoon. Hendrik liep naar de gang en nam op. ‘Ik heb een gesprek voor u met meneer Blijdenstein,’ zei de telefoniste. ‘Zal ik u doorverbinden?’
‘Ja, doet u maar,’ zei Hendrik.
‘Meneer, Copijn, komt u alstublieft bij mij langs,’ zei meneer Blijdenstein. ‘Ik heb een reusachtige tuin. En ik weet niet goed wat ik ermee aan moet.’
Een uur later belde Hendrik aan bij een prachtige buitenplaats met de naam Villa Vogelenzang. Meneer Blijdenstein, een man met reusachtige bakkenbaarden, deed zelf open.
‘Benjamin, aangenaam,’ zei hij. ‘Maar zeg maar Ben.’
‘Hendrik,’ zei Hendrik.
De twee mannen wandelden door de tuin. Die tuin was een rommeltje.
‘Ik ben bankier,’ vertelde Ben. ‘Ik heb lang in Londen gewoond. Daar bezocht ik vaak de Koninklijke Tuinen. Zoiets wil ik ook.’
‘Ik begrijp het,’ zei Hendrik. ‘U wilt een echte Engelse landschapstuin. Met paden die rond vijvers slingeren.’
‘En met veel bomen,’ zei Ben. ‘Ik hou vooral van naaldbomen.’
‘Een pinetum,’ zei Hendrik.
‘Juist,’ zei Ben. ‘En daarom wil ik u straks meenemen naar de Hortus Botanicus in Amsterdam. Ik heb daar goede vrienden. Ze geven me wat ik hebben wil. Maar ik kan niet zonder uw advies.’
‘Prima,’ zei Hendrik. ‘De stoomtram gaat over een half uur. Die kunnen we nog net halen.’
‘O, nee!’ riep Ben geschrokken uit. ‘Voor geen prijs stap ik in dat hakkepufding. We nemen mijn wagen. Ik heb een nieuwe. Een echte Spyker.’
‘Zo u wilt,’ zei Hendrik.
En even later zat de tuinontwerper voor het eerst in zijn leven in een auto. Meneer Ben chauffeerde zelf. Hij claxonneerde er lustig op los om zijn medeweggebruikers te waarschuwen. Hendrik stond doodsangsten uit. Gelukkig bereikten ze veilig de tuinen van de universiteit. In de Hortus keek Ben rond alsof hij het voor het uitkiezen had. Hij wees naar de eerste de beste naaldboom en zei: ‘Wat denk je, Hendrik, zal ik vragen om een jong exemplaar van die reuzenlevensboom? Ik heb gehoord dat de Indianen in Noord-Amerika daar totempalen van maken.’
‘Een goed idee,’ zei Hendrik. ‘De Thuja plicatus zal het goed doen in uw pinetum.’
‘En die mammoetboom, daar?’
‘De Sequoia mag niet ontbreken in uw verzameling.’
‘En zie je die Japanse notenboom?
‘De Ginko biloba? Prachtig. Maar ik zou u willen aanraden om in het ontwerp ook ruimte te maken voor rododendrons. Die geven kleur aan uw tuin.’
‘Geweldig, Hendrik, je bent een man naar mijn hart. Trouwens, hoe krijgen we al die jonge boompjes in mijn nieuwe auto? Ik zou niet graag willen dat de lederen bekleding van mijn Spyker beschadigd raakt.’
‘Met de stoomtram?’ opperde Hendrik.
‘De stoomtram?
‘Ja, waarom niet? De Gooische stoomtram vervoert dagelijks allerlei goederen en grondstoffen: kazen, zand, kalk, hooi, stro en niet te vergeten: het riet waarmee al die mooie villa’s in het Gooi mee worden gedekt. Als u wilt, zal ik uw jonge bomen graag persoonlijk vergezellen.’
En zo kwam het dat Hendrik Copijn die dag de begeleider werd van een tiental kuipen met jonge boompjes.
Ruim honderd jaar later zijn die bomen nog altijd te zien in Pinetum Blijdenstein in Hilversum.
