Aan de beurt in Weesp
‘Weet je dat mijn betovergrootvader ook al beurtschipper was?’
Teun knikte. ‘Ja, vader.’
‘Hij vervoerde water. Er was geen schoner water dan het water in de Vecht. Niet voor niets groeide Weesp uit tot een stad vol bierbrouwerijen en jeneverfabrieken. Er is geen betere manier om water te bewaren dan er bier of jenever van te maken.’
Teun knikte weer. Zelf hield hij niet zo van water. Gaf hem maar chocolademelk.
Terwijl De Salamander stil over het water van het IJsselmeer gleed, snoof Teun de lucht op uit het ruim. Duizend zakken vol cacaobonen uit een ver land. Daar konden ze bij Van Houten een miljoen kommen verrukkelijke chocolademelk van maken.
Teun liep door het gangboord naar voren. Met een vaartje zeilde de Salamander naar de monding van de Vecht.
‘Gootzeil strijken!’ riep Teuns vader vanaf het achterdek.
Terwijl Teun het zeil liet zakken, hoorde hij de motor aanslaan.
Ze voeren langs het Muiderslot. Het bleef een mooi kasteel, ook al zag hij het een paar keer per dag. Eerst op de heenweg: van Weesp naar Amsterdam. Een keer op de terugweg: van Amsterdam naar Weesp. Een beurtschip voer nu eenmaal strikt op tijd.
‘De sluis staat nog open, vader!’ riep Teun naar achteren. Hij hoorde hoe zijn vader gaf gas. Teun luisterde naar het geruststellende gebrom van de dieselmotor. Toen spitste hij zijn oren. Hij miste iets. Waar was het sputterende geluid van het koelwater? Snel holde hij door het gangboord terug naar achteren. ‘Vader, je moet de motor afzetten. Ik denk dat de waterpomp kapot is.’
Teuns vader stuurde het schip snel naar de kant. Heel even liet hij de schroef achteruit slaan, toen zette hij snel de motor uit. Teun zag de sluisdeuren voor zijn ogen dichtgaan. Hij gooide een tros om een meerpaal.
‘Wat nu?’ vroeg Teuns vader zich hardop af.
De vader van Teun was een echte zeiler. Hij leefde al zijn hele leven op het water. Altijd heen en weer tussen Weesp en Amsterdam. En dus moest Teun ook varen. Zijn hele leven lang?
Teun keek naar de sluis en naar de brug waar juist de Gooische stoomtram passeerde. Dat ding was werkelijk één brok techniek.
‘Hoe lossen we dit op?’
‘Ik kan die kapotte pomp eraf halen,’ stelde Teun voor. ‘Dan neem ik de tram naar Amsterdam en laat ik hem bij Kromhout repareren. Met een beetje geluk zijn we vanavond nog thuis.’
‘Ja, doe maar,’ zei Teuns vader.
Teun ging aan de slag. Niet veel later stond hij in zijn blauwe overall – de waterpomp in zijn vette, zwarte handen – op de komst van de tram te wachten. Daar kwam hij al aan.
Op het moment dat Teun wilde instappen, riep de machinist: ‘Kom maar hier, in de locomotief!’
Daar stond Teun, op de plaat naast de machinist. Hij vroeg honderd uit over de tram en over de aandrijving en kreeg op al zijn vragen antwoord. De machinist op zijn beurt wilde alles weten over Teuns leven op het water.
‘Ik hou niet zo van water,’ zei Teun.
Lachend liet de machinist de stoombel horen. ‘Stoom is ook water.’
Daar had Teun niet van terug.
‘Succes, jongen,’ zei de machinist toen ze op station Weesperpoort aankwamen. ‘En praat eens met je vader. Bij het spoor kunnen we handige jongens zoals jij goed gebruiken.’
De rest van de dag oefende Teun zacht voor zich uit steeds dat ene zinnetje: ‘Vader, ik wil bij het spoor. Vader, ik wil bij het spoor. Vader...’
