Henri van Sypesteyn, een jonkheer met een droom
Op een dag ging Henri uit rijden met zijn twee nieuwe vrienden: de dominee en de schoolmeester van Loosdrecht.
‘Zoals jullie ondertussen wel weten,’ begon de jonkheer, ‘heb ik een droom.’
‘Dat weten we, Henri,’ zei de schoolmeester. ‘Je wil een kasteel bouwen op de plek waar lang geleden een kasteel van jouw familie heeft gestaan.’
‘Hoe zeker is dat eigenlijk?’ vroeg de dominee die overal aan twijfelde.
‘Dat is heel zeker!’ antwoordde de jonkheer beslist. ‘Kijk maar. Ik heb een prent waarop het oude kasteel staat afgebeeld. Precies zo laat ik het herbouwen. Ik ben van plan om daar oude materialen voor te gebruiken. Oude stenen. Oude deuren. Oude kozijnen. Het moet eruitzien of het er altijd heeft gestaan. Ik wil dat de naam van mijn familie blijft voortleven. Dat kasteel heette De Siepe. Dat bewijst mijn gelijk.’
‘Ik begrijp het,’ zei de schoolmeester die ervan hield om uit te leggen hoe alles zat. ‘Siepe komt van siepelend water. Daarmee wordt natuurlijk het water bedoeld dat werd geloosd op de Drecht.’
‘Ik weet het niet, hoor,’ zei de dominee. ‘Wat moet Loosdrecht met een...’
De jonkheer liet de dominee niet uitpraten. ‘Ik doe het heus niet alleen voor mezelf. Ik doe het voor Loosdrecht. Daarom heb ik jullie vandaag ook meegenomen naar Hilversum. Let maar eens op.’
De jonkheer wees naar de stoomtram die de blauwe lucht vulde met dikke, witte wolken.
De drie mannen keken naar de mensen die uitstapten. Mensen met picknickmanden. Mensen met fietsen. Mensen met zonnehoeden en parasols.
‘Wat zien jullie?’ vroeg de jonkheer triomfantelijk.
‘Toeristen,’ zei de dominee met opgetrokken neus.
‘Precies,’ zei de jonkheer. ‘De stoomtram brengt de mensen naar bijzondere plekken. Weesp, Huizen en Laren varen er wel bij. Wij gaan al die vertierzoekers naar Loosdrecht brengen. Eerst met trekschuiten en met paardentrams. En later, in de toekomst, met de stoomtram. Wij gaan Loosdrecht op de kaart zetten.’
Terug in Loosdrecht liet de jonkheer het rijtuig langs de plek rijden waar ooit het familieslot had gestaan. Trots leidde hij zijn vrienden rond.
‘Kijk,’ zei hij. ‘Met hulp van boeren uit de omgeving heb ik de fundamenten al teruggevonden.’
‘Zijn dat niet gewoon de overblijfselen van een oude boerderij?’ waagde de dominee het te vragen.
De jonkheer negeerde hem en ging enthousiast verder met zijn uitleg. ‘Als het kasteel af is, kan ik al mijn verzamelingen aan de mensen laten zien. Er komt een wapenkamer, een porseleinkamer en een portrettengalerij van mijn familie. En daar...’ Hij wees naar een paar vierkante vlakken in het grasland. ‘... kun je zien hoe de tuin vroeger was. Men noemt dat tegenwoordig een Franse tuin. Maar ik noem dat gewoon een Hollandse tuin. Die ga ik helemaal in ere herstellen. Met een loofgang, een doolhof en een zichtlaan met hagen en hekken.’
‘En dat allemaal zonder kinderen om de boel aan na te laten?’ merkte de dominee op.
‘Daar heb ik over nagedacht,’ zei de jonkheer. ‘Ik richt een stichting op. Als ik er niet meer ben, is dit allemaal voor de inwoners van Loosdrecht. En daarom wil ik jullie nu vragen: doen jullie mee? Ik kan mijn dromen alleen waarmaken als ik vrienden heb die mij helpen.
‘Maar natuurlijk,’ zei de schoolmeester meteen.
Even was het stil. Toen zei de dominee met een glimlach: ‘Aan zo’n mooie droom wil ik graag mijn steentje bijdragen.’
