Prinsheerlijk
Rustig blijven, denkt Arnout, blijf rustig!
Maar hij voelt het bloed al naar zijn hoofd stijgen. Hoe lang zit hij nu te ploeteren? Eén zin hoeft hij vandaag maar te vertalen. Eén zin in het Latijn.
Dan opeens houdt hij het niet meer uit. ‘Ik háát Latijn!’ schreeuwt hij en hij slingert het boek van zich af. Met een klap valt het op de tegels.
Zijn moeder kijkt op. ‘Arnout toch!’
Hij weet het, schreeuwen mag niet en met boeken gooien al helemaal niet. Hij wacht niet af, maar glipt van de bank en rent de deur uit, de wenteltrap af naar buiten.
Buiten! Arnout zuigt zijn longen vol met frisse lucht. Op de binnenplaats van het Muiderslot is het een drukte van belang. Knechten lopen af en aan met wijnvaten en meiden en keukenjongens brengen manden vol vis, gevogelte en verse groenten naar binnen. Vader staat druk aanwijzingen te geven.
‘Voorzichtig met die wijn!’ zegt hij, iets luider dan normaal. Want roepen of zijn stem verheffen zal hij nooit doen.
Arnout zucht eens diep. Het valt niet mee om de zoon van Pieter Hooft te zijn. Hooft, de grote dichter en geschiedschrijver, de drost van Muiden. Hij ziet zijn vader staan, kalm en vriendelijk als altijd. Hij zal nóóit met boeken gooien.
Hij hoeft ook niet met boeken te gooien. Hij schrijft Latijn alsof het zijn moedertaal is.
Arnout wil er niet meer over nadenken. Hij wil zijn nieuwe katapult uitproberen. Op een holletje loopt hij naar de stallen waar hij de katapult heeft verstopt in een speciaal hoekje achter het hooi. Daar bewaart hij ook zijn andere schatten: een schelp waarin hij de zee kan horen, zijn vishaakjes en een loden kogel die hij heeft gekregen van de soldaten die hier waren ingekwartierd. Die zijn weer vertrokken, want de oorlog lijkt voorbij. Prins Frederik-Hendrik heeft de Spaanse legers verjaagd en heel het land viert feest. Zelfs vader is blij en opgelucht.
Net op tijd voor het avondeten komt Arnout binnen. Zijn zussen Suus, Stans en Stientje zijn er al. ‘Kom gauw, Arnout’, zegt moeder. ‘Ga op je plek staan, vader komt zo!’
Arnout probeert te doen alsof hij al een poosje keurig staat te wachten, maar hij voelt zijn wangen nog gloeien van de wind. Zijn katapult deed het fantastisch! De kattendarmen zijn stevig en sterk. Alle kiezeltjes troffen doel.
Dan komt vader binnen. Diepe denkrimpels trekken strepen over zijn voorhoofd.
‘Wil het lukken met je gedicht?’ vraagt moeder. Arnout weet dat moeder niet van gedichten houdt. Daarom is het extra aardig dat ze ernaar vraagt.
‘Jawel,’ zegt vader, ‘het wordt een mooi welkom voor de Prins. De muskaatwijn is vanmiddag ook bezorgd.’
‘Dat is mooi! Dan kunnen we met de Prins klinken op zijn overwinning!’
Vader zucht zachtjes. ‘Het was verdraaid dure wijn, ik hoop maar dat de Prins hem lekker vindt!’
Moeder lacht haar klaterlachje. ‘Niet zo mopperen! Het zal heus wel goed komen.’
‘Waarschijnlijk heb je gelijk, lieve.’ Vader glimlacht. ‘En hoe is het jullie vergaan, kinderen? Arnout?’
Arnout verslikt zich bijna in zijn brood. ‘Ik heb Latijn gedaan’, zegt hij zachtjes. Even kijkt hij naar moeder, maar ze kijkt niet terug. Ze heeft het vader dus verteld. ‘Maar het ging niet goed’, zegt hij daarom maar meteen.
‘Arnout heeft met z’n boek gegooid’, zegt Stientje.
Vaders ogen kijken hem streng aan. IJzig streng. ‘Dat heb ik gehoord’, zegt hij dan. ‘Leren is geduld hebben, Arnout. Je mag nooit driftig worden, nooit! Een beschaafd blijft altijd rustig en vriendelijk tegen iedereen, is nooit zenuwachtig, ongeduldig of boos! Oefenen, oefenen en nog eens oefenen! Dat is het enige dat helpt. Daar kan je moeder je alles over vertellen.’
Arnout krimpt ineen. Krijgt hij nu straf?
Maar moeder lacht. ‘Ik zal morgen weer oefenen, dat beloof ik. Ik moet toch voor de prins een mooi wijsje op het klavecimbel kunnen spelen!’
‘Heb je daar nog wel tijd voor? Zal ik anders Sweelinck vragen of hij wil komen spelen?’ Vader neemt een slok van zijn bier en Arnout ziet opeens pretlichtjes in zijn ogen.
‘Je hebt Sweelinck al gevraagd’, zegt moeder dan. Ze krijgt een kleur.
Vader lacht. ‘Alles om jou een plezier te doen!’
‘En de Prins!’ zegt Suus.
Twee dagen later is alles klaar om de Prins te ontvangen. Moeder heeft haar mooiste japon aan en haar fijnste plooikraag om en vader ziet er deftig uit in zijn zwarte pak. Ook Arnout heeft een nieuwe hagelwitte kraag om. Ze staan te wachten op de binnenplaats. De wind speelt door de krullen van Suus en met de veren op vaders hoed. Het staat vol met mensen: vrienden uit Amsterdam, knechten en meiden, mensen uit Muiden, zelfs Sweelinck is op tijd aangekomen.
Vader heeft zijn welkomstgedicht klaar. Hij houdt het opgerold in zijn hand, hij lijkt wel een beetje zenuwachtig. Zijn hand trilt.
Ze wachten en wachten, het duurt lang. Erg lang.
Zelfs vader staat een beetje te draaien. Maar opeens hoort Arnout een paard in galop. ‘Daar zullen ze zijn!’ zegt vader.
Het is maar één ruiter, een boodschapper. Hij glijdt van zijn paard en overhandigt een brief voor Pieter Corneliszoon Hooft.
Vaders gezicht betrekt terwijl hij de brief openvouwt. Het is stil op de binnenplaats, doodstil. Wat zou er aan de hand zijn? Dan kijkt Hooft op. ‘Dames en heren,’ zegt hij, ‘laten we naar binnen gaan. De prins kan helaas niet komen.’
Van alle kanten klinken teleurgestelde geluiden. Arnout vindt het ook jammer. Hij had graag de stoet paarden en de officieren van de Prins willen zien. Maar vader laat niets merken, hij is hoffelijk als altijd. Iedereen loopt mee naar de Grote Zaal, vader voorop.
De mensen drommen naar binnen. ‘Wie wil er een glas wijn?’ vraagt vader vrolijk. ‘Prinselijke muskaatwijn? Sweelinck een glas? Jij, lieve?’
‘Als het je niets uit maakt, heb ik liever bier, mijn beste Hooft!’ zegt Sweelinck.
‘Ik hou ook niet zo van muskaat’, zegt moeder.
De meeste mensen willen liever bier. De dure wijn blijft staan.
Sweelinck neemt een teug bier. ‘Heerlijk, Pieter!’ zegt hij.
Een schaduw trekt over vaders gezicht en hij bijt op zijn lip. Hij ziet eruit alsof hij ergens mee wil gooien. Arnout pakt stiekem vaders hand vast. ‘Niet boos worden’, fluistert hij. ‘Nooit boos worden, vader. Mag ik het gedicht straks lezen?’
Vader slikt iets weg en kijkt hem aan. ‘Dank je, Arnout’, zegt hij. ‘Wil je dat echt?’
‘Heel graag, vader!’
Nu lacht vader en hij pakt een kroes. ‘Schenk de mijne ook maar vol! Inderdaad, prinsheerlijk bier, Sweelinck!’
