Nescio: de wereldwandelaar
‘Finn, heb je je huiswerk al af? En als je dat af hebt, pak dan alvast je spullen voor de voetbaltraining. Je kunt je shirt zo van de waslijn halen. Het is vast droog. Vergeet je sokken niet, hè, net als laatst! En eet je ook nog een paar boterhammen voor je gaat?’
Pffft! Sokken, shirt, huiswerk, eten, school, voetbal!
Hield het dan nooit een keer op?
‘Wat moet ik altijd veel!’ ‘
Net als Finn was de schrijver Nescio gek op de natuur. Hij werkte op een kantoor, de Bombay Trading Company in Amsterdam. Maar als hij vrij was, ging hij met vrienden wandelen tot buiten de stad. Dan gingen ze in het gras zitten, tussen de boterbloemen. Nieuwsgierige koeien kwamen naar hen kijken en zij keken terug. Als het ging schemeren begonnen de kikkers te kwaken, sommige gingen vreselijk te keer en klonken heel dichtbij. Andere zaten verderop in de sloot. Een koe die je nauwelijks meer kon zien door de halve duisternis, hoorde je gras eten. En in de verte holde een paard heen en weer, je hoorde het, maar zag het niet. Dit beschrijft Nescio in zijn boek Titaantjes.
Nescio heette eigenlijk Jan Hendrik Frederik Grönloh, en zijn roepnaam was Frits. Nescio was zijn pseudoniem en betekent ‘Ik weet het niet’. Hij werd geboren in Amsterdam in 1856. Een stad waar hij het grootste deel van zijn leven woonde en waar hij stapeldol op was. De hoofdpersonen in de verhalen van Nescio lijken op hem. Het liefst zouden ze de hele dag niets doen. In een van Nescio’s beroemdste verhalen De uitvreter, zit Japi de hele dag in Veere aan zee. Hij kijkt naar de schepen die voorbij komen en naar de zon die weerspiegelt in de golven.
Nescio wandelde heel veel in het Gooi. Dan ging hij met de bus van Amsterdam naar Muiden of Loosdrecht, stapte uit en begon aan zijn tocht. Hij hield van het ruime landschap van het Gooi, waar hij bomen, plassen en kerktorens zag, en genoot van het groen met de prachtige wolkenluchten erboven. Hij schreef over de eerste sneeuwklokjes die hij zag en de eerste koekoek die hij hoorde. Voor hem kondigden ze het nieuwe jaargetijde aan. Hij wandelde graag alleen, maar hij genoot ook erg van de wandeltochten die hij maakte met zijn vrouw Aagje Tiket in Frankrijk, als ze daar op vakantie waren. En met een groepje vrienden liep hij zelfs naar Palestina, in Israël. In 1925 reisde hij voor zijn werk bij de Bombay Trading Company door India, naar Karachi, Calcutta en Bombay. Daar trok hij er ook op uit zodra hij de kans kreeg. Aan zijn vrouw schreef hij dat het land hem soms aan Holland deed denken: ‘Maneschijn en neveligheid, weer zoals bij ons tegen half oktober. Ik had mijn overjas aan, lekker.’
Nescio schreef maar een paar boeken en die zijn ook nog eens vrij kort. In 1918 werd zijn eerste bundel gepubliceerd met daarin drie novelles, De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. Een groot succes werd het niet meteen. Daarom hield hij zijn baan als zakenman op de Bombay Trading Company. Daar bleef hij dertig jaar werken en werd later zelfs directeur.
Hij deed dat werk naast zijn werk als schrijver. Van het schrijven kon hij niet leven; hij schreef ook niet zoveel. Zijn uitgever zei tegen hem dat hij een boek moest schrijven, een ‘grooten roman’. Daar kon hij meer mee verdienen dan met zijn novelles. In een paar dagen had hij al vijftig pagina’s geschreven en de rest had hij in zijn hoofd, al helemaal verdeeld in hoofdstukken. Maar het boek kwam er nooit. Aan een vriendin schreef hij: ‘Ik ben ermee opgehouden. Ik geloof niet dat het wat voor mij is.’ Later zei hij dat het hem teveel was om zich helemaal aan het schrijven te wijden. Hij vond het lastig het werken op kantoor te combineren met het schrijven. ‘Mijn hoofd zat vol berekeningen,’ zei hij, en ’s avonds in bed lag hij te piekeren over wat er allemaal moest gebeuren.
Nescio was een idealist. Hij geloofde dat de aarde van iedereen was en dat grond algemeen bezit moest zijn. Toen hij rond de twintig was, stichtte hij samen met een groepje vrienden de kolonie, onder de naam Tames. Op een stukje grond bij de gemeente Huizen wilden ze zelf groente verbouwen, gereedschap maken en bijen houden. Dan konden ze van het land leven en hadden ze verder niets nodig. Maar ze waren niet praktisch. Er was nooit genoeg geld om planten te kopen om te verbouwen, of voor andere dingen. Ze waren dromers: ze hadden mooie ideeën en wilden heel veel. Ze verlangden naar iets, al wisten niet eens altijd waarnaar. Of was misschien het verlangen zelf het belangrijkst? In het boek Titaantjes beklimt Nescio de toren van Rhenen, wat hij ook in het echt vaak had gedaan. Hij keek in de verte en voelde hoe zijn hart trok ‘naar de roode luchten in ‘t Westen’:
Doch had ik van de toren kunnen vliegen naar de verten, dan zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben.
Nescio ’s boeken worden nog steeds verkocht en dat is best bijzonder. Bij het Antiquariaat Streppel in Amsterdam was in januari 2020 zelfs nog een eerste druk te koop van zijn eerste boek. Het werd uitgegeven in 1918 en is dus meer dan honderd jaar oud. Het is een zeldzaam boek, je zult er niet snel een tweede van vinden. Het kostte 650 euro, plus verzendkosten. Het boek is 130 bladzijden dik en bevat drie boeken, De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje.
