De grote Frederik

De cursief gedrukte zinnen zijn citaten uit de roman De kleine Johannes (1885) en het gedicht De Waterlelie (1901)

Het was warm aan de vijver en doodstil. Aan de overkant stond een reiger roerloos in het water te turen. In de diepte, tussen de stengels van de lelies, zwommen lome vissen rond. De hele wereld was in rust, en mooier dan ooit.

Maar Johanna was boos. En verdrietig. En ze was nog iets, iets waar ze geen woord voor had. Maar het deed pijn in haar buik en haar lijf schudde ervan. Dat nare gevoel moest weg.

Daarom verkocht Johanna een flinke mep aan Lijs, haar lappenpop. Ze sloeg zo hard als ze kon. Het kopje van Lijs zwaaide wild heen en weer. Er sprong een scheur in het stiksel bij haar halsje. Net goed. Johanna sloeg nog een keer. En nog maar eens.

De reiger vloog op. Tussen het riet plonsten wat verschrikte kikkers het water in. Zelfs de zon leek wel wat sneller naar de horizon te zakken.

En het hielp Johanna maar een beetje. De boosheid en het verdriet gingen wel weg, maar dat andere gevoel liet zich niet verdrijven. Het ergste was nog wel dat Lijs zo stil bleef. Ze schreeuwde niet, ze huilde niet. Ze keek Johanna alleen maar aan met haar zwarte kraaloogjes. Stomme pop.

Johanna wilde opnieuw slaan, maar het geluid van een brekend takje deed haar omkijken. Achter haar, aan de bosrand, stond een oude man met een spierwitte keizersbaard. Zijn ogen waren haast onzichtbaar in de schaduw van een grote hoed. Over zijn schouders hing een zwarte mantel en hij steunde op een wandelstok. De man keek naar de vijver en mompelde: 'Ik heb de witte waterlelie lief...'

Johanna kende hem wel: dit was meneer Van Eeden. Frederik van Eeden. Mama had hem vaak aangewezen als ze hem in het park of langs de weg tegenkwamen. Vroeger was meneer Van Eeden hier de baas geweest, maar dat was allang niet meer zo. Hij was nergens meer de baas van. Niet van het land, niet van de huisjes - en al helemaal niet van Johanna.

Meneer Van Eeden glimlachte en schoof zijn hoed wat naar achteren, zodat Johanna de pretlichtjes in zijn ogen kon zien. Stond die ouwe vent haar nu uit te lachen? De boosheid was meteen weer terug.

'Ik ben kwaad hoor!' riep ze, om te waarschuwen.

'Dat zie ik,' antwoordde meneer Van Eeden rustig. 'Maar vast niet op je pop.'

Daar wist Johanna even niets op te zeggen. Meneer Van Eeden had gelijk natuurlijk, Lijs was de enige die nergens iets aan kon doen. Johanna's moeder, die altijd maar op haar schold - die kon er wat aan doen. En Johanna's vader, die er helemaal niet was - die zou ze moeten slaan. Maar ja.

'Let nu goed op,' zei meneer Van Eeden, 'nu zul je iets aardigs zien.'

Hij wees met zijn wandelstok naar de rietpluimen aan de rand van de vijver. Daar was een groot, glanzend insect neergestreken, met een brede kop, vier ragfijne vleugels en een lang, dik achterlijf. Een libel! Een waterjuffer!

Johanna vergat Lijs. Ze stond op en sloop voorzichtig naar de rietkraag - het prachtige dier mocht niet van haar schrikken. En dat deed het ook niet: de waterjuffer zat rustig te genieten van de laatste zonnestralen, het achterlijf bewoog kalm en tevreden op en neer.

'Goed kijken,' zei meneer Van Eeden. 'Heel goed kijken.'

De eerste avondnevel kringelde al tussen de rietstengels omhoog. Johanna moest haar best doen om de waterjuffer scherp te kunnen zien. Ze kneep haar ogen tot spleetjes en probeerde nog wat dichterbij te komen. Maar de nevel werd al dikker en dikker, tot de libel verdwenen was in een waterige, grijze waas.

'Wachten,' zei meneer Van Eeden. 'Geduld.'

Johanna knikte ademloos. En langzamerhand zag zij uit die nevel twee donkere ogen schitteren, en een lichte ranke gestalte, in een teder-blauw kleedje, zat op de plaats van de libel. Hoe kon dit nou? Wat was dit?

'Mag ik je voorstellen aan Windekind,' zei meneer Van Eeden. 'En Windekind, dit is Johanna. Ze is boos.'

'Een elfje...' fluisterde Johanna.

Dát was een wonder!

'Geef mij een hand,' zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels uit.

Het allerwonderlijkste was misschien nog wel dat de hand van Windekind precies in die van Johanna paste. Alsof ze even groot waren. Maar Johanna dacht er niet lang over na hoe dat mogelijk was. Alle nare gevoelens waren verdwenen, ook dat gevoel waar ze geen woorden voor had. Er was alleen nog de mooie zomeravond, met de nevels en de donkerblauwe lucht, de waterlelies en de rietpluimen.

Meneer Van Eeden stond aan de rand van de vijver en leunde op zijn stok. Hij had Lijs opgeraapt en liet haar even naar Johanna zwaaien, met haar rafelige poppenhandje. Lieve Lijs!

'Ga maar,' zei hij. 'Wij wachten wel op je. En onthoud dat Windekind hier altijd zal zijn, als je hem nodig hebt.'

Op hetzelfde moment voelde Johanna hoe ze opsteeg, aan de hand van het elfje, ver boven de rietkraag en de vijver. Ze zag het bos met de kleine, half ingegraven huizen en de grote villa's, ze zag de straatweg en de heide erachter. En ze was helemaal niet bang, alles voelde zo vertrouwd en veilig - het was alsof ze altijd al aan de hand van een elfje door de lucht had gevlogen.

Misschien is meneer Van Eeden niet meer de baas van de huizen en de mensen, dacht Johanna. Maar hij is wel de baas van iets anders, iets groters. Iets wonderbaarlijk moois.

Johanna keek naar hem, zoals hij daar stond in de verte, heel klein aan de waterkant. De grote Frederik. En daarna richtte ze haar blik omhoog, naar de bleke horizon boven het dorp. Groot en glanzig rees daar de maan aan de grauwe hemel.

         Johanna begon te lachen.

Frederik van Eeden (1860-1932)

Jonge mensen willen vaak de wereld veranderen. Wat hun ouders allemaal doen, dat vinden ze niks. Dat kan veel beter! En vaak hebben ze daar ook wel een beetje gelijk in. Totdat ze zelf ouder worden en er weer nieuwe jonge mensen komen die alles anders willen doen. Zo is dat altijd gegaan, en zo zal het altijd blijven.

         Toen Frederik van Eeden jong was, hoorde hij ook bij zo'n groepje wereldverbeteraars. Ze werden de Tachtigers genoemd, omdat ze in de jaren tachtig van de negentiende eeuw voor het eerst bij elkaar kwamen. Dat was dus in de tijd dat de moeder van de opa van jouw oma werd geboren. Heel erg lang geleden.

         De Tachtigers waren kunstenaars: dichters, schrijvers en schilders. Ze vonden dat een kunstenaar alleen maar kunst moest maken. Alle andere dingen, zoals godsdienst of politiek, waren niet belangrijk. En kunst, dat ging om gevoelens. Een kunstenaar moest zo goed mogelijk laten zien wat hij of zij voelde. Dat was genoeg.

         Frederik van Eeden schreef mooie boeken, zoals 'De kleine Johannes', een sprookje over een jongen die volwassen wordt, en 'Van de koele meren des doods' over een vrouw die heel ongelukkig is door alles wat er misging toen ze nog een meisje was.

         Geen kunst die alleen maar over kunst ging, dus. Frederik van Eeden was het ook niet helemaal eens met dat idee. Hij zag hoe de wereld om hem heen veranderde. Overal kwamen grote fabrieken waarin mensen lang en hard moesten werken, voor weinig geld. Daar werd de wereld niet mooier van. En de mensen waren vaak ziek en ongelukkig. Hij wilde daar iets aan doen.

         In 1898 kocht Frederik van Eeden met van zijn moeder geleend geld een stuk grond tussen Bussum en Hilversum. Daar wilde hij een eigen landje beginnen waar kunstenaars en arbeiders samen konden werken en weer gelukkig en gezond worden. Hij noemde zijn stuk grond 'Walden', naar een beroemd boek uit Amerika.

         De andere Tachtigers vonden het maar een raar plan. Het kon nooit goed gaan, dachten ze. En dat ging het ook niet. De kunstenaars werkten niet hard genoeg, de grond was veel te droog en onvruchtbaar. En dan had Frederik van Eeden ook nog eens te vaak vriendinnetjes, vonden de mensen. Er kwam ruzie. En in 1907 was het mooie idee van 'Walden' alweer geschiedenis.

         Frederik van Eeden was erg teleurgesteld. Hij bleef de rest van zijn leven wonen op het terrein van zijn mislukte experiment. De mensen in Bussum vonden hem een rare kerel. Maar beroemd was hij wel.

         Een paar van de huisjes en huizen van 'Walden' kun je nu nog zien. Ga maar eens naar de website www.spiegelvrienden.nl en klik in het menu op 'routes'. Daar vind je een leuke wandeling met veel uitleg over die langvervlogen tijd.

De grote Frederik