De school gaat open

Verbaasd kijkt Willem naar zijn vriendjes.

‘Waarom heb jullie je zondagse kleren aan?’

‘Ben je het weer vergeten?’ zegt Arie.

‘Wat?’

‘Het is feest,’ zegt Arie. ‘De school gaat vandaag open.’

Willem snapt het niet. ‘Hè, hij was gisteren toch ook al open?’

Arie en Dirk schieten in de lach.

‘Ja hoor,’ zegt Dirk. ‘We zitten al een paar weken op onze nieuwe school. Maar vandaag komen de burgemeester en meneer Dudok om dat te vieren.’

‘O.’

‘Weet je niet meer dat juffrouw Van Dijck gisteren vertelde dat we ons netjes moesten aankleden?’

Gisteren? Willem moet even nadenken. ‘O ja.’

Gelukkig is hij niet de enige die het vergeten is. Toch is er een probleem. Bovenmeester Brouwer kijkt hem boos aan.

‘Dat kan toch niet,’ moppert hij. ‘Moet je die kleren zien!’

‘Ach…’ zegt juffrouw Van Dijck, ‘toe nou. Hij is de enige leerling van wie de vader meegebouwd heeft aan de school. Meneer Dudok heeft hem nog persoonlijk geprezen met zijn keurige metselwerk. En bovendien: als we Willem een taak geven, blijft hij misschien stil staan.’

‘Nou, vooruit dan maar,’ zucht meester Brouwer.

De juf legt uit wat er gaat gebeuren: ‘Zo meteen staan alle klassen netjes in rijen op het schoolplein. Denk erom: mondjes dicht! Willem, jij mag vandaag helemaal vooraan staan.’

Willem schrikt als hij zijn naam hoort. ‘Ik heb niks gedaan, juf!’

Juffrouw Van Dijck lacht. ‘Nee, hoor. Dit is geen straf. Jij mag straks dit bosje bloemen aan meneer Dudok geven.’

‘Ik?’

‘Jazeker.’

Willem snapt er niets van. Zijn juf moppert heel vaak op hem: ‘Willem, zit stil.’ ‘Draai je om.’ ‘Willem, opletten!’ ‘Niet zo dromen.’

‘Waarom ik?’

‘Omdat jij dezelfde voornaam hebt als meneer Dudok.’

Willems klasgenoten kijken hem jaloers aan.

‘Hou de bloemen stevig vast. Pas op dat ze niet knakken.’

Willem pakt het boeketje voorzichtig aan.

‘Als je ze aan meneer Dudok geeft, dan zeg je: Alstublieft, meneer. Dank u wel voor de mooie school. Kun je dat?’

Willem knikt.

‘Laat eens horen dan?’

‘Asjeblief, meneer. Dank u wel voor de mooie school.’

‘Bijna goed. Het is meneer Dudok. Niet vergeten, hè!’

‘Asjeblief, meneer Dudok. Dank u wel voor de school.’

Juffrouw Van Dijck aait hem over zijn hoofd. ‘Goed zo, Willem.’

Even later staat het schoolplein vol met kinderen. Recht tegenover een heleboel mannen in zwarte pakken en een paar mooie mevrouwen.

De juf buigt zich naar Willem toe en fluistert in zijn oor: ‘Zie je die drie mannen vooraan? Bovenmeester Brouwer ken je wel. Naast hem staat meneer Lambooy, de burgemeester van Hilversum. En daarnaast zie je meneer Dudok, de architect. Aan hem moet je straks de bloemen geven.’

De burgemeester haalt een brief uit zijn jaszak en begint hardop te lezen: ‘Beste kinderen, ik wil jullie hartelijk feliciteren!’

Hè, denkt Willem, ik ben nog lang niet jarig.

‘Het is onze gemeente-architect Dudok opnieuw gelukt om een prachtige school te bouwen. Jullie zijn gezegend met dit mooie gebouw dat we vandaag officieel gaan openen…’

Willem kijkt naar de deur van de school. Die staat wijd open. Hij blijft het gek vinden. Ach, wat maakt het uit? Dankzij dit feest hoeft hij niet de hele ochtend stil te zitten. Dank u wel, meneer Dudok!

De burgemeester praat maar door en door. En na hem komen andere mannen aan het woord. Willem probeert goed op te letten, maar dat valt niet mee. Soms snapt hij opeens wat er gezegd wordt: ‘Wat een heldere, frisse school met haar heerlijke uitzicht.’

Dat klopt! Vanaf zijn schoolbank kan Willem lekker naar buiten kijken, naar de bomen en bloemperken langs het schoolplein. Op zijn vorige school zaten de ramen zo hoog dat hij zelfs staand alleen maar de hemel zag.

‘Wat een speelse blijheid in lijn en vorm en kleur,’ vertelt de volgende spreker. ‘De heer Dudok heeft Hilversum weer een beetje mooier gemaakt!’

Het duurt wel erg lang, al dat gepraat. Willems benen worden steeds wiebeliger. Jammer dat hij dat bosje bloemen vast moet houden, anders zou hij na elke toespraak harder klappen dan alle andere kinderen bij elkaar. Alleen maar om even te kunnen bewegen.

Nu is het de beurt aan meneer Dudok zelf. Met een brede lach vertelt hij hoe fijn hij het vond om deze school te mogen bouwen. ‘Kinderen moeten gelukkig en vrolijk kunnen opgroeien. Oók op school. Het gebouw moet voelen als een veilig thuis. Daarom heb ik de klassen groot gemaakt, met vrolijke kleuren. En licht. Veel licht, zo dat ook de zon er plezier in heeft om te schijnen over onze kinderen.’

Willem kijkt even over zijn schouder omhoog. ‘Dag zon,’ fluistert hij. ‘Kom je straks weer in onze klas spelen?’ Hij moet stilletjes om zijn eigen grap lachen.
Juf legt haar hand op zijn schouder.

O ja, hij moet stil zijn. Dan maar weer luisteren naar meneer Dudok.

‘Op de huppelveranda onder het overstekende dak kunnen de kinderen ook bij slecht weer lekker bewegen.’

Huppelen! O, wat zou Willem dat nu graag even doen. De andere jongens zeggen dat huppelen stom is, maar hij vindt het leuk. Veel leuker dan stilzitten in de klas.

‘Goede scholen maken betere kinderen,’ zegt Dudok.

Het is even stil, maar dan klatert er applaus over het schoolplein.

‘Nu jij, Willem,’ zegt de juf. ‘Jij bent aan de beurt. Je mag de bloemen gaan geven. En denk erom, zeg: Alstublieft, meneer Dudok. Dank u wel voor de mooie school.’

Willem zou wel willen huppelen, zo trots is hij dat hij dit mag doen. Maar hij stapt voorzichtig naar voren, bang dat de bloemen anders allemaal omknakken.

‘Dit is de zoon van Gerrit Kroon, een van de metselaars die onze school mee gebouwd heeft,’ zegt bovenmeester Brouwer tegen de architect.

Willem steekt zijn arm naar voren en geeft de bloemen aan meneer Dudok.

‘Dank u wel, meneer,’ zegt hij.

‘Waarvoor?’ vraagt Dudok met een glimlach.

‘Voor het huppelen.’

De school gaat open