Eieren voor de mieren

Eva staat op haar tenen. Ze drukt haar neus tegen het glas en gluurt door het schoolraam naar binnen. Daar zit haar broer Jeroen gebogen over zijn lei. In zijn hand heeft hij een griffel. Daar schrijft hij letters mee. Hij doet flink zijn best, het puntje van zijn tong steekt uit zijn mond.

Was ze maar een jongen, denkt Eva. Dan zat ze daar ook om te leren lezen en schrijven. Ze zucht en stapt achteruit. Verder maar weer. Ze tilt de mand met eieren en meel op die ze zolang naast zich op de grond had gezet. Als ze niet snel genoeg thuis is, zwaait er wat.

Het heeft geregend. Overal liggen plassen. Eva stampt er middenin. Haar rokken worden smerig. Ze merkt het niet. Ze dagdroomt. Over de verre landen waar papa als kok naar toe vaart, over de bijzondere mensen die hij onderweg tegenkomt, over wilde dieren en hoge bergen waarover hij heeft verteld.

Volgens Jeroen heeft zijn meester een boek waarin een schipper vertelt over zijn verre reizen. Als alle kinderen hard hebben gewerkt, leest hij er soms een stukje uit voor.

Al dromend voelt Eva boosheid in zich opborrelen. Waarom mag zij niet naar school, net als Jeroen? Alleen omdat ze een meisje is! Zij moet leren hoe ze het huishouden moet doen, hoe ze moet koken en schrobben. En als ze daar nou geen zin in heeft en veel liever de verhalen van de schipper wil horen? Of, beter nog, de woorden zelf wil lezen zoals Jeroen al bijna kan?

Van al het piekeren over zoveel oneerlijkheid vergeet Eva op te letten. Als ze een hoek omslaat struikelt ze zomaar over een steen die daar ligt. Het doet haar geen pijn maar de mand klettert op de grond. Twee eieren vallen eruit en breken. Een deel van de meel ligt uitgespreid op straat.

O, nee! Nu zal mama woest worden. Twee kostbare eieren, zomaar kapot! Tranen springen in Eva’s ogen. Ze bukt en probeert met haar handen zoveel mogelijk meel bijeen te vegen.

Dan knielt er een heer naast haar. Hij ziet haar tranen.

‘Ach, wat is er met jou?’ zegt hij met een zwaar accent. ‘Gevallen?’

Ze knikt. ‘Mijn eieren…’

‘Vidím to,’ zegt de man. ‘Ik zie het. Je hebt een feestmaal aangericht voor de kleine diertjes van de straat.’

‘Wat…?’ Verbaasd houdt Eva op met huilen.

De man wijst naar een paar mieren die haastig op de gebroken eieren af komen lopen. ‘Zij hebben vandaag lekker te eten en ik denk dat er ook snel vliegen op het struif zullen zitten. Zie je hoe die mieren met hun pootjes in het eiwit stampen?’

Eva volgt de vinger van de oude heer. Haar ogen worden groot. Hij heeft gelijk. De mieren scharrelen in het rond alsof ze in het paradijs zijn aanbeland. Zíj lijken het helemaal niet erg te vinden dat haar boodschappen op de grond liggen.

Als mama er ook maar zo over denkt. Eva betwijfelt het.

‘No tak,’ zegt de man. ‘Kom maar.’ Hij helpt haar overeind. ‘Waar was je eigenlijk met je gedachten?’

Hij kijkt haar aan met een scheef hoofd. Het lijkt alsof hij echt wil horen wat ze denkt.

Zonder dat ze weet waarom, barst ze ineens los. Ze vertelt dat ze bij de school van haar broer heeft staan kijken. Dat ze ook zo graag wil leren lezen. Dat ze de verhalen uit het boek van de meester wil horen. Dat het niet eerlijk is dat zij dat niet mag.

Als ze klaar is, staart de man even voor zich uit. Dan zegt hij: ‘Hoe heet je?’

Eva,’ zegt ze.

‘Luister Eva. Ik heb veel meegemaakt in mijn leven. Daarom weet ik dat een ongeluk soms ook een gelukje kan zijn. Dit is er zo een: een ongeluk en een gelukje tegelijkertijd. Mijn naam is meester Comenius en ik vind dat je helemaal gelijk hebt. Meisjes moeten ook kunnen lezen. Als je dat echt wilt, kan ik je wel helpen om het te leren.’

Dit komt zo onverwacht dat ze even denkt dat ze het verkeerd hoort. ‘Echt?’ vraagt ze voor de zekerheid.

De man knikt.

Ze denkt even na maar schudt dan haar hoofd. ‘Dank u wel maar mama vindt dat nooit goed. Ik ken geen meisjes die kunnen lezen en schrijven.’

‘Maar die zijn er wel,’ zegt meester Comenius. ‘Soms gaan ze later hun echtgenoten helpen met hun werk. Ik ken zelfs dames die zelf gedichten schrijven.

Weet je wat? Ik zal wel met je moeder gaan praten.’

Ze weet niet wat ze moet zeggen. Mama kan ook niet lezen of schrijven. Ze weet zeker dat die zal tegenstribbelen. Misschien zal ze zich door meester Comenius voor het blok gezet voelen en boos worden op haar, zodra de deur achter de meester dicht slaat.

De meester ziet dat ze aarzelt. ‘Als je moeder het echt niet goed vindt, weet ik nog een andere manier,’ zegt hij. ‘Op dit moment ben ik de leraar van jongeheer De Graeff, de burgemeesterszoon. Je moeder zal er toch geen bezwaar tegen hebben wanneer de burgemeester je zelf uitnodigt om bij hem thuis te komen?’

Ze kijkt hem met grote ogen aan. Ze kent de burgemeester van gezicht. Meer niet. De hoge heren bemoeien zich niet met mensen zoals zij.

‘Als ik klaar ben met het lesgeven aan de jonge De Graeff, kan ik het jou leren. Ik heb wel een uurtje in de week over.’

Ze geeft zich gewonnen. Haar gezicht begint te stralen als ze zich probeert voor te stellen dat ze over een tijdje misschien ook kan lezen. ‘Als u denkt dat het kan,’ zegt ze.

Meester Comenius lacht. ‘Jazeker denk ik dat. En ik weet zeker dat de burgemeester het goed vindt als ik het hem vraag.’ Zijn blik gaat naar de kapotte eieren op de grond. ‘Zullen we dan eerst maar nieuwe eieren gaan halen voordat ik je naar huis breng?’ zegt hij. ‘Mijn vrouw kan er vast wel twee missen. En meel is er misschien ook nog wel.’

Eieren voor de mieren